Basis L-nummer informatie

Basis L-nummer informatie

 (0)    0

  TIPS & TRICKS

Misschien dat je er als eens van hebt gehoord, gelezen of dat je ze bent tegengekomen in aquariumwinkels, een vissoort met een L en er achter een nummer.

Wat zijn nu L-nummers en hoe komt men aan deze benaming?          

Momenteel is het een rage om L-nummers aan te schaffen en los te laten in het aquarium. Maar hoeveel van de aquarianen weten eigenlijk waar de naam L-nummer vandaan komt? De naam L-nummer is in 1989 door de hoofdredacteur van het Duitse aquarium en terrarium magazine DATZ “R. Stawikowski en A. Werner” ingevoerd om de import te vergemakkelijken. Zij hebben de L-nummer ingevoerd en de niet benoemde soorten genummerd, te beginnen heel simpel met L-1 en verder. Dit nummer werd al snel internationaal geaccepteerd en overgenomen. De L staat voor Loricariidae wat in de Latijnse benaming voor harnasmeervallen staat. Het nummer achter de L wordt toegekend aan een geheel nieuwe vissoort of aan soorten die nog geen Latijnse benaming hebben gekregen, ook wel determineren genoemd. Dit nummer is over de hele wereld hetzelfde, zodat er geen verwarringen kunnen ontstaan. Als een vis eenmaal nauwkeurig beschreven en benoemd is vervalt het L-nummer en gaat hij verder onder zijn wetenschappelijke naam. Het L-nummer is dus maar tijdelijk bedoeld maar een eenmaal gegeven nummer word daarna niet meer gebruikt.
 

Algemeen

De harnasmeervallen (Loricariidae) vormen een familie van de orde meervallen. In de praktijk worden ze ook wel algeneters of pleco’s genoemd. Harnasmeervallen hebben geen schubben zoals veel vissen maar benige platen om hun lichaam te beschermen. Een ander opvallend kenmerk is dat de mond omlaag gericht is. De lichaamsvorm van de harnasmeervallen is langgerekt met een platte onderkant. Ze hebben doorgaans grote rug-, borst- en staartvinnen met vaak stekelige vinstralen. Bij de soorten die een vetvin op hun rug hebben, een eindje voor de staart, heeft deze een stekel aan de voorkant. Veel soorten hebben odontoden: doornachtige uitsteeksels die overal op het lichaam kunnen voorkomen.
De lengte van de harnasmeervallen loopt uiteen van enkele centimeters tot 70 cm lang. Deze laatste zijn uiteraard niet geschikt voor het gemiddelde aquarium. De meeste soorten worden maximaal 15 cm groot. LET OP: informeer hiernaar voordat je ze aanschaft.
De meest voorkomende soorten die in het tropische aquarium worden gehouden zijn de Glyptoperichthys gibbiceps, Hypostomus plecostomus, diverse Ancistrus soorten en verschillende Hypancistrus soorten.
Soorten die in het aquarium worden gehouden zijn bijvoorbeeld de flink groot wordendeGlyptoperichthys gibbiceps en soms Hypostomus plecostomus, diverse Ancistrus, Baryancistrus enHypancistrus soorten, Panaque (waarvan de kleinere soorten ook wel Panaqolus worden genoemd) en Peckoltia soorten, de vrij kleineOtocinclus, Loricaria en Rineloricaria.
Van Ancistrus zijn ook albino vormen en kweekvormen met langere vinnen in de handel, en ook van Hypostomus bestaan albino vormen.
 

Verschillende soorten

De familie Loricardiidae bevat meer dan 800 omschreven soorten en nog een groot aantal niet wetenschappelijk beschreven soorten, totaal zijn dit meer dan 1000 soorten. Er wordt nog steeds onderzoek gedaan naar de verwantschappen binnen de harnasmeervallen. Er worden zes onderfamilies onderscheiden.
  •          Hypostominae (432 soorten, o.a. Hypostomus,PterygoplichthysPeckoltia, Glyptoperichthys), vrij stevig gebouwde soorten die vooral plantaardig materiaal eten. Hieronder vallen ook de 244 soorten uit de stam Ancistrini, die vroeger als een aparte onderfamilie (Ancistrinae) werd gezien. De Ancistrini, zoalsAncistrusHypancistrus en Panaque, zijn soorten met odontoden op de wangen, die ze kunnen uitzetten. Deze zijn het grootst bij mannetjes. Ze gebruiken ze o.a. bij gevechten.
  •          Loricariinae (236 soorten): onderverdeeld in twee stammen: Loricariini (waaronderRineloricaria) en Harttiini (waaronder Farlowellaen Sturisoma). Ze hebben een lange staart en geen vetvin. Meestal leven ze in groepjes. Loricariini zijn gemakkelijker te houden dan Harttiini.
  •          Hypoptopomatinae (127 soorten, o.a.Otocinclus): kleine, in groepen levende soorten. Ze worden ook wel oorzeefmeervallen genoemd omdat ze een geperforeerd schedelbeen bij het oor hebben. Ze leven graag tussen planten en hangen op de bladeren.
  •          Neoplecostominae (43 soorten)
  •          Delturinae (7 soorten)
  •          Lithogeneinae (3 soorten)
 
 

L-nummers houden

Er zijn veel uiteenlopende soorten, van  klein tot groot en van duur tot goedkoop.
Je heb L-nummers vanaf een volwassen lengte van 7 cm tot ruim 50 cm groot en over het algemeen groeien deze L-nummers zeer langzaam.
Het is dus van groot belang dat je jezelf goed laat informeren voordat je aan het houden van L-nummers begint. Je kan L-nummers niet houden in een klein aquarium van bijvoorbeeld 40 cm.

Inrichting

De inrichting van het aquarium moet altijd worden afgestemd op de toekomstige soorten vissen die je gaat huisvesten. Als je Panaque soorten gaat houden gebruik dan meerdere soorten hout in je aquarium en houd er rekening meer dat ze ook van de planten gaan eten. Wil je toch planten houden, maak dan gebruik van harde planten zoals Anubias Echinodorus soorten. Wil je Loricariidae soorten houden, maak dan gebruik van een zandbodem of fijn grind. Hout in dit aquarium is dan ook zeker een pré. Bij het opzetten en inrichten van een l-nummer aquarium komt veel kijken. Je moet natuurlijk het juiste formaat aquarium hebben. Voor de kleinste soorten zoals de Otocinclus is een aquarium van 60 cm nodig. Voor soorten die rond de 15 cm worden zoals sommige Hypancistrus, Panaque en Peckoltia soorten is een aquarium nodig van minimaal 80 cm tot 100 cm nodig, groter mag natuurlijk altijd. Voor de allergrootste soorten die 30 cm of groter worden zoals de Gibbiceps, is een aquarium van 2 tot 3 meter nodig. Voor de meeste harnasmeervallen is een temperatuur tussen 25 en 28 graden, een pH tussen 6 en 7,5 en zacht tot middelhard water geschikt. LET OP: de benodigde waterwaarde kunnen per soort verschillen.
 
Veel harnasmeervallen leven in stromend, helder en zuurstofrijk water. Ook in het aquarium hebben ze daarom graag vrij veel stroming, om hiervoor te zorgen kan je gebruik maken van sterke stromingspompen. Het zijn vervuilende vissen en door een hoop ontlasting zorgen ze voor een hoop afvalstoffen in het aquarium. Gebruik daarom een goed filter met een sterke pomp.
 
Doorgaans houden harnasmeervallen niet van fel licht, zorg dus voor veel schuilplekken zoals legholen en probeer het licht te dimmen. Harnasmeervallen zijn bodemdieren dus zorg voor voldoende bodemoppervlakte, liefst met een zandbodem of klein rond grind. Bij sommige soorten is het ook erg belangrijk om hout in het aquarium te hebben. Daar kan je dan bij de inrichting van je aquarium rekening mee houden. Zo zijn er ook biotopen die voornamelijk gladde stenen bevatten. Hier zal je vaak Hypancistrus, Ancistrus en Chaetostoma soorten vinden. Planten worden door veel harnasmeervallen opgegeten of losgewoeld en zijn voor veel soorten niet echt noodzakelijk zolang er voldoende andere schuilplaatsen zijn. Hypoptopomatinae zoalsOtocinclus hebben wel graag een beplant aquarium, zij gebruiken bladeren om eieren op af te zetten en ook om zelf op te liggen.
 
 

Voer

Vaak worden L-nummers algeneters genoemd, omdat zij met de zuigmond overal aan geplakt zitten en dan algen zouden schrapen. Het is dan ook een groot misverstand dat de meeste soorten het alleen goed zouden doen op algen. De meeste soorten hebben wel degelijk ander voedsel nodig en zullen u niet alleen van de algen afhelpen. In het algemeen lusten ze zeer veel van Algenwaffels en tabletten tot de verschillende diepvries voer soorten zoals bijvoorbeeld artemia en muggenlarven. Ook af en toe bijvoeren van komkommer of courgette word gewaardeerd. Heeft u misschien bij het houden van L-nummers wel eens meegemaakt dat u een van uw andere vissen kwijt was, en nergens meer de vis kon vinden, of u vond alleen een geraamte? Het kan namelijk voorkomen dat een vis dood gaat door omstandigheden en ergens op de bodem of tussen de decoratie is terecht gekomen. Sommige L-nummers zuigen zich dan vast op het kadaster en vreten deze geheel op, wat weer aangeeft dat zij niet alleen algen vreten. Dit noemen we ook wel de optimistische eter.
Toch het is belangrijk om te weten binnen welke categorie jouw L-nummer valt.
- Carnivoren: vleeseters. De voeding bestaat uit dierlijk materiaal, zoals dode vissen en ongewervelden, insecten(larven) en eitjes van andere vissen.
- Herbivoren: dit zijn de typische planten eters. Als je toch de term ‘algeneter’ gebruikt, dan heb je het in feite over deze groep.
- Omnivoren: in deze groep vallen vissen die zowel plantaardig voedsel als dierlijk voedsel op hun menu hebben staan. De meeste soorten behoren tot deze groep.
In de theorie klinkt dit erg makkelijk en duidelijk maar in de praktijk ligt dit toch iets anders. Alle meervallen zijn zoals ik hierboven al beschreven heb optimistische eters, met andere woorden, ze pakken wat ze pakken kunnen.
 
 

Kweek

De verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes zijn niet bij alle soorten even duidelijk. Sommige soorten hebben de mannelijke dieren een soort gewei op hun kop, zoals bijvoorbeeld duidelijk te zien is bij Ancistrussoorten (Ancistrus dolichopterus maar soms ook andere Ancistrus soorten worden daarom ook borstelneus genoemd). Bij de soorten met odontoden zijn deze bij mannelijke harnasmeervallen vaak groter en meer dan bij vrouwtjes. Soms is bij het mannetje de voorste straal van de borstvin, of de hele borstvin, dikker dan bij het vrouwtje.
Wilt u proberen te kweken met harnasmeervallen, dan kunt u het beste een mannetje bij meerdere vrouwtjes zetten.
De voortplanting van de harnasmeervallen verschilt per soort. Zo zijn er veel soorten die eieren leggen in legholen, zoals Ancistrus en Rineloricaria, maar ook soorten die hun eieren aan rotsen of andere gladde oppervlakken (zoals de aquariumruit) vastzetten, zoals Farlowella. Het mannetjes bewaken de eieren en houden ze schoon, en soms bewaken ze ook de jonge, net uitgekomen visjes. Ze zijn dan erg territoriaal. Er is ook een aantal soorten onder de Loricariinae waarvan het mannetje de eieren, en later de larven, meedraagt aan een uitgroeisel van zijn onderlip. De vrouwtjes trekken zich na het leggen van de eieren niets meer aan van hun nageslacht. Bij de Hypoptopomatinae, zoals Otocinclus, worden de eitjes tegen bladeren of andere oppervlakken geplakt en is er verder geen broedzorg.
De eieren komen, afhankelijk van de soort, na 4 tot 20 dagen uit. De eerste dagen leven de larven van de dooierzak, daarna kunnen ze kleine voedseldeeltjes gaan eten zoals algen, fijngemaakt vlokvoer en Artemia naupliën. Ze groeien vrij langzaam en kunnen makkelijk worden opgegeten door andere vissen in het aquarium.
 

Tot de carnivoren behoren onder meer

- Pseudacanthicus sp. (L024, L025, L065, L096, L273)
- Acanthicus sp. (L155, L193)
- Hypancistrus sp. (L004, L046, L066, L102, L260, L262, L316)



Tot de omnivoren rekenen we onder andere de volgende soorten

- Peckoltia vittata (L015) en andere Peckoltia spp.
- Baryancistrus sp. (L018)
- Pterygoplichthys pardalis (L021)
- Hemiancistrus sp. (L128)



Typische herbivoren zijn onder meer

- Pterygoplichthys joselimaianus (L001)
- Pterygoplichthys gibbiceps (L083)
- Ancistrus sp. (de vele soorten in deze serie)
- Otocinclus sp en Parotocinclus sp (alle soorten)
- Squaliforma villarsi (L195)

Sommige van de soorten die hierboven zijn aangegeven behoren eigenlijk tot 2 soorten. Zoals de Hypancistrus die we tot de carnivoren rekenen maar soms ook een stukje courget of komkommer mee eet.  

Kijk voor meer informatie over het L-nummer wat je zoekt in onze database

*Denk je zelf dat er nog iets mist? Laat het ons weten om er voor te zorgen dat we de juiste informatie verstrekken en zo iedereen op weg kunnen helpen. 
 

Voor meer informatie kunt u ook de bijsluiter DOWNLOADEN

 

Bron: http://www.licg.nl

 (0)    0

Comments are Closed for this post